De rijkste wijk van Antwerpen als je vanachter begint.’ Zo omschrijven bewoners wel eens Deurne-Noord, een buurt gekneld tussen het Sportpaleis, de Ring en het Bosuilstadion. Er is heel wat verkeer, geluidsoverlast en armoede. Toch zijn veel bewoners trots op hun wijk. Een van de redenen is buurtwerking Dinamo van Samenlevingsopbouw Antwerpen stad. Deze zomer brengen we elke week het verhaal van één van de mensen in het buurthuis. Van bezoekers over vrijwilligers tot professionals. Wat drijft hen naar het buurthuis? Wat vinden ze daar en wat dragen ze bij? Het resultaat zijn soms treurige, soms grappige, maar altijd hoopgevende verhalen vol energie. Deze week: vrijwilligster Chris.

‘Mijn man, dat is een schitterende vent. Ik heb de luxe dat hij zegt: “Doe maar kind.” Zo komt het dat ik al meer dan dertig jaar vrijwilligerswerk doe. Zelf is hij minder sociaal dan ik. Als ik hem vraag om hier een kader te komen ophangen of de kraan in de keuken te repareren, staat hij er direct. Maar zo met mensen … Hij is wel trots op mij. Dat voel ik. We wonen hier niet ver vandaan en als we samen over straat lopen, kom ik altijd wel iemand tegen die mij enthousiast begroet. Ja, dan is hij fier.

Eigenlijk ben ik niet van Deurne. Ik ben een Geit. Ik ben in Wilrijk geboren, maar opgegroeid in een volkse buurt van Hoboken. Mijn ouders hadden daar een zaak. Toen ik zeventien was, hebben ze die gesloten en zijn ze opnieuw begonnen in Vriesdonk, een – hoe zal ik het zeggen? – niet zo volkse wijk in Brasschaat. Het lag mij daar niet en al snel was het tijd om zelfstandig te worden. Sindsdien woon ik in Deurne.


Chris

Foto: Samenlevingsopbouw Antwerpen stad©


Opendeurdag

Ik heb achtentwintig jaar de administratie van het theater in Deurne gedaan, maar in juni 2013 kwam daar een einde aan. Een maand later zag ik dat Dinamo zijn jaarlijkse opendeurdag hield. Ik ken Roger, die hier vrijwilliger is bij de Budgetgidsen. Hij zei: “Waarom kom je eens niet kijken. Je woont toch om de hoek.” Ik was er natuurlijk al geweest om een affiche te hangen of flyers te leggen. Elke keer dacht ik: “Mocht ik ooit wat vrije tijd hebben, dan zegt dat buurthuis mij wel iets.”

De opendeurdag verliep nogal chaotisch, maar ik ben hier schitterend ontvangen. Joke kan dat, hé. Ik kreeg een uitleg wat er hier allemaal gebeurde. Ze vroegen me waar ik zelf in geïnteresseerd was. Crea was het eerste voorstel, maar dat is niets voor mij. Mijn handen willen niet altijd mee. Ik heb reuma. Hafida was toen nog verantwoordelijk voor 2-Spraak. Zij vroeg of ik haar niet wou helpen. Dat sprak mij wel aan. Ik heb een brede interesse en heb altijd heel veel gelezen. Hoewel ik er nooit op de scène gestaan heb, heb je in het theater ook permanent met taal te maken. Bovendien denk ik dat ik wel een gevoel heb voor mensen.


Nederlands

“Loop eerst eens mee”, zeiden de opbouwwerkster, “dan kan je beslissen of het wel iets voor jou is.” Een week later had ik een mijn eigen groep bij Taal*ooR en twee weken later was ik haar assistente voor 2-Spraak. Ondertussen doe ik daar de coördinatie van. Dat wil zeggen dat ik het intakegesprek met de anderstaligen en de vrijwilligers voer, en hen aan elkaar koppel. Soms lukt dat heel goed. Soms wat minder. Waar ik op let? Zeker naar hun huidige taalniveau, van de anderstalige, maar ook dat van de Belgische vrijwilliger.

Niet elke vrijwilliger spreekt even goed Nederlands, hoor. Mijn jongste vrijwilliger is een meisje van twintig. Zij doet het al vier jaar. Theresa is mijn oudste. Zij is achtenzeventig en nog steeds even gedreven. Bij de anderstaligen kijk ik ook naar hun motivatie. Hoe graag willen ze Nederlands leren en vooral ook waarom? Is het om een mondje Nederlands te kunnen praten bij de bakker, of willen ze naar de universiteit om hun diploma uit het land van herkomst gelijk te laten stellen? Dan gebeurt het dat ik al eens iemand stiekem laat voorgaan. En als het echt te lang duurt, neem ik ze zelf.


Niveauverschil

Zoveel is zeker, het zijn niet allemaal universitairen. Er zit enorm veel verschil in. Neem nu de Syrische jongens. Dat zijn jonge mensen die ginder studeerden of een behoorlijk betaalde baan hadden. Hun leven staat hier stil en dat is niet de bedoeling. Zij willen voort. Er moet gewerkt of gestudeerd worden. Alaa is daar een voorbeeld van. Ik ben zo fier op mijn Alaa! Een dik jaar geleden ben ik met hem begonnen. “Het hemd is blauw. Het huis is rood.” Vorige week is hij bij de VDAB zijn toegangsexamen gaan doen voor de cursus technisch Nederlands. Hij is geslaagd. Dat doet mij enorm plezier.

Maar versta me niet verkeerd: ik heb ook een jongedame met een huishouden en drie kinderen. Zij wil haar Nederlands verbeteren om de oudercontacten bij te wonen. Met haar besprak ik vorige keer het krantje van de supermarkt. Als zij mij komt vertellen dat ze alles begreep wat de leerkracht van haar zoontje vertelde, is de voldoening exact dezelfde als bij een universitair. Of Isa. Die is al jaren officieel uitgeleerd en maakt nog maar amper vooruitgang. Ze vindt dat ook niet zo erg. Zij doet 2-Spraak voor het sociaal contact. Elke week is ze trouw op tijd en praat met een enthousiasme waarvan ik van mijn stoel val. Dat is zo fijn!


Berenwerk

Ja, als ik hier zit en iemand komt er voor de derde keer op een rij niet door, dan vloek ik wel eens. Maar 99 van de 100 keren kom ik fluitend naar Dinamo. Waarom? Omdat niemand hier tegen zijn zin rondloopt. Soms heeft iemand wel een mindere dag, maar dat wordt dan niet op de anderen uitgewerkt. Toegegeven, dat gebeurt vanzelf. Een hartvreter solliciteert niet om in een buurthuis te komen werken. Ik zou me Joke ook niet bij een bank kunnen voorstellen. Nochtans zou ze dat wel kunnen. Joke die kan alles. Mensen onderschatten buurt- en opbouwwerkers. Ze verzetten berenwerk zonder dat ze de aandacht krijgen die ze verdienen.

Wat het soms moeilijk maakt? Te zien wat wij onze nieuwkomers soms aandoen. Om te beginnen liggen onze eisen veel te hoog. Ik had gisteren een gesprek met een jonge vrouw. Zij heeft hier een diploma van assistent-apotheker behaald. Dat is toch niet min. Daar moet je een behoorlijk mondje Nederlands voor kunnen. Maar werk vindt ze niet. Zogezegd omdat ze de taal niet voldoende spreekt. Dan denk ik: jongens …


Werk

Als ik trouwens één ding geleerd heb, is het wel het belang van werk. Zeker voor de mannen. Zij willen hun gezin onderhouden. Geld krijgen zonder er iets voor te doen, is voor hen het ergste wat er is.

Een van de eerste mensen waar ik hier mee praatte was Abbas. Abbas is moeten gaan lopen uit Afghanistan. Hij heeft zich daar kunnen redden door onder een berg lijken te doen alsof hij dood was. Hij is met zijn gezin naar België gekomen en sprak geen tien woorden Nederlands toen hij hier aankwam. Enkele maanden later ging Abbas alleen naar het districtshuis om zijn papieren te regelen. Ik was toen zo trots. Later kreeg hij werk van het OCMW. Via een artikel 60 kreeg hij een opleiding om te kuisen. In Afghanistan had hij een enorme positie, maar hier moest hij poetsen. Maar het bracht geld op. Zijn kinderen konden naar school. Alleen stopte de job na achttien maanden en viel hij terug op een werkloosheidsuitkering. Daarna geraakte hij niet meer aan de bak. Ja, zijn kinderen doen het goed. Maar Abbas is volledig gedesillusioneerd. Hij sukkelt nu met zijn gezondheid. Als we zouden willen, kunnen we die mensen een kans geven, maar we doen het niet.

Wil je nog een verhaal? We hadden hier een man, een heel toffe gast. Hij was al acht jaar in België samen met zijn gezin. Vorig jaar met kerstmis hebben ze hem opgepakt en teruggestuurd. Na acht jaar! Kijk, ik doe niet aan politiek. Dat is mijn ding niet. Maar voor dergelijke zaken is mijn boerenverstand toch te klein. Na acht jaar ... moet dat echt op die manier?


Dit E-mail adres wordt beschermd tegen spambots. U moet JavaScript geactiveerd hebben om het te kunnen zien.