De rijkste wijk van Antwerpen als je vanachter begint.’ Zo omschrijven bewoners wel eens Deurne-Noord, een buurt gekneld tussen het Sportpaleis, de Ring en het Bosuilstadion. Er is heel wat verkeer, geluidsoverlast en armoede. Toch zijn veel bewoners trots op hun wijk. Een van de redenen is buurtwerking Dinamo van Samenlevingsopbouw Antwerpen stad. Deze zomer brengen we elke week het verhaal van één van de mensen in het buurthuis. Van bezoekers over vrijwilligers tot professionals. Wat drijft hen naar het buurthuis? Wat vinden ze daar en wat dragen ze bij? Het resultaat zijn soms treurige, soms grappige, maar altijd hoopgevende verhalen vol energie. Deze week: Mark.

‘Ik ben chemicus en werk als productontwikkelaar bij een groot chemisch concern. In 2006 kreeg ik een zware depressie. Ik ben te lang blijven werken. Dat was fout. De zaak escaleerde en ik verloor de grip op alles. Mijn zelfvertrouwen was compleet weg. Ik durfde niets meer. Alles heb ik geprobeerd: mindfulness, fitnesstherapie … ik ben een jaar naar een psychiatrisch dagcentrum gegaan en heb zelfs twee maanden in een gesloten ziekenhuis gezeten.

 

Mark

Foto: Samenlevingsopbouw Antwerpen stad©


Antidepressiva

In die tijd pakte ik zware antidepressiva, maar die sloegen niet aan. De bijwerkingen zijn vaak dezelfde als de symptomen van de ziekte. Op den duur weten je psychiaters het ook niet meer. Hoeveel soorten therapie ik niet gevolgd heb. Heel de tijd liggen babbelen over aspecten van je verleden die je beter anders had gedaan. Dat is loodzwaar. Ik ben graag actief. Ik zeg niet dat een buurthuis de oplossing voor iedereen met een diepe depressie is. Verre van. Maar mijn situatie is verbeterd toen ik in 2009 bij Dinamo als vrijwilliger aan de slag ben gegaan. Ik leerde er weer initiatief nemen. Dat was het beste medicijn dat ik kon krijgen.

Op een bepaald moment heb ik beslist dat ik mijn leven opnieuw moest oppikken. Ik moest mezelf van nul opnieuw opbouwen. Naar mijn werk kon ik niet terug. Eerst moest ik aan mijn zelfvertrouwen werken. Ik ging op zoek naar vrijwilligerswerk, maar vond vooral aanbiedingen om bij een bibliotheek, een vzw of zelfs bij het Speelgoedmuseum achter de balie te zitten. Dat vond ik te geïsoleerd. Ik zat al zoveel alleen thuis. Ik liep daar tegen de muren op. Toen zei iemand die Deurne goed kent: “Waarom niet Dinamo?”


Buiten mijn comfortzone

Mijn werk, de buurt waar ik woon, mijn school vroeger … het is allemaal typisch voor een blanke, Vlaamse middenklasser. Eigenlijk had ik – voor ik naar Deurne trok – nooit contact gehad met een allochtoon of iemand die het financieel echt moeilijk heeft. Bovendien was ik als wetenschapper totaal niet thuis in wat de sociale sector te bieden heeft. Om maar te zeggen: Dinamo viel totaal buiten mijn comfortzone. Dat begon al toen ik er naartoe fietste. De grauwe buurt naast het Sportpaleis, de huizen die er allemaal armoedig uitzien ...

En dan was ik het buurthuis nog niet eens binnen. De chaos! Zoveel uiteenlopende activiteiten! Dat was niet te vergelijken met mijn job waar alles georganiseerd en gestructureerd is. Volgens opbouwwerkster Jesse zijn zij dat ook. Maar dat kunnen ze dan wel goed verstoppen. Ik had gedacht om de eerste dag alleen wat rond te kijken. Maar als je daar maar wat met je vingers staat te draaien, loop je nog meer in het zicht. Ik heb dan maar helpen afwassen. Ik dacht dat ik zo de minste fouten zou maken. Als je aan de grond zit en het gevoel hebt niets te kunnen, dan is dat echt heel moeilijk. Maar het voordeel van daar te zijn, is dat je toch de aandrang voelt om iets mee te doen.


Je moet hier niets

In zo’n buurthuis hebben ze handen nodig, dus spreken ze je aan. “Je moet hier niets”, zei Jesse, maar wij hebben een wekelijkse kookgelegenheid – Soeperdeboere – waarom doe je eens niet mee?” Ik dus mee koken, vaak exotische gerechten waar ik nog nooit van gehoord had. Dat contact met mensen van elders in de wereld was fijn. Vaak zaten zij ook in een lastig parket. Praten deden we daar maar zelden over, maar je voelt dat van elkaar.

Daarna vroeg Hafida me om mee te doen aan Taal*ooR. Ik zei ja, want ik moest toch een bijdrage leveren. Veel te veel verantwoordelijkheidsgevoel, dat is deel van mijn probleem, en veel te perfectionistisch. Ik zag daar een hoop mensen die maar wat zaten te sjouwelen. Dat kan toch niet, dacht ik. Dus ik thuis lessen voorbereiden, deelnemers pushen en thema’s aanbrengen. Want we gingen toch niet over koetjes en kalfjes praten. Ze hebben mij heel subtiel duidelijk gemaakt dat dat niet de bedoeling was.

Voor mijn laatste sessie heb ik Pictionary in twee ploegen gespeeld met de Taal*ooR-groep. Ze moesten in het Nederlands raden wat ze aan het tekenen waren. Dat was me daar direct competitie, maar ik had in tijden niet zo gelachen als die namiddag.


Ik kan dat!

Dan was er het energieproject Deurne Draait Door. We gingen de markt van Deurne op om mensen aan te spreken en te overtuigen om thuis energie te sparen. Alweer iets dat ik nog nooit gedaan had. Ik moet wel toegeven dat ik dat als wetenschapper een moeilijk verhaal vond. Het was me te naïef om te geloven dat je daar echte milieuwinst mee boekte. Het kostte tijd vooraleer ik begreep dat het eigenlijk niet om CO2 ging, maar om mensen te sensibiliseren en samen te brengen. Uiteindelijk vroegen ze mij om mee te gaan op een avond waarop het project aan de schepen van Welzijn werd uitgelegd.

Op een dag kreeg er voor de deur een automobilist een klapband. Die man komt binnen en vraagt wie hem kan helpen. Bibi had dat nog nooit gedaan, maar een paar minuten later zat ik aan dat wiel te vijzen. Als je een paar jaar in een depressie gezeten hebt, denk je dat je nog geen lamp kunt indraaien. Maar die mens zat in de problemen, dus verving ik die band. Achteraf denk je dan “tiens, ik kan dat!” …


Ik mocht falen

Mijn periode bij Dinamo was een intense maar korte periode. We spreken over ongeveer anderhalf jaar. Ik nam toen nog veel medicatie en was soms volledig van de wereld. Maar door al die mensen om je heen blijf je toch doorgaan. Soms ging het wel eens mis. Ik heb mij vaak even apart gezet om wat te gaan bleiten. Maar opbouwwerksters Joke, Hafida of Jesse vezen mij dan weer in elkaar en dan begon ik opnieuw. Dat zij vonden dat ik iets waardevols voor hen deed, dat gevoel was mij goud waard. En de wetenschap dat ik mocht falen.

Er is één ochtend geweest dat ik niet gegaan ben. Ik zat in een slechte periode en geraakte mijn bed echt niet uit. Ik heb toen moeten bellen dat ik niet op de afspraak zou zijn. Dat doe ik normaal nooit. Maar dan ook echt nooit. Ik schaamde mij kapot, maar Joke die antwoordde alleen maar dat het echt geen probleem was en dat ik alle tijd moest nemen om er weer bovenop te komen. Zij zou het die middag wel oplossen. Die opbouwwerkers dat zijn echte crisismanagers. Die zijn gewoon om met niets iets te maken. Daar heb ik wel ogen van getrokken. En altijd opbouwend. Dat is zo’n verschil met de privé. Als het daar fout loopt, gaan de paraplu’s open, en heeft iemand de boter gefret.


Opnieuw aan de slag

Maar je kunt geen vrijwilligerswerk blijven doen. Ik had drie studerende kinderen. Ik heb mijn leeftijd, een serieus inkomen … dat geef je niet zomaar op. Ik ben bij de VDAB in loopbaanbegeleiding gegaan. Daaruit bleek dat ik mijn werk graag deed. Dat wist ik ook wel. Zij hebben me doen inzien dat het niet is omdat je in je job over kop gegaan bent, dat je iets anders moet gaan doen. Wel moet je op een andere manier naar je werk leren kijken.

In oktober 2010 ben ik opnieuw aan de slag gegaan op een andere afdeling in het bedrijf. Met de medische dienst had ik de afspraak dat ik de eerste zes maanden enkel halftijds werkte. Dat is in mijn job niet evident, maar het was wel nodig. De eerste week was ik steendood van alleen de voormiddag te werken. Het sloopte mij. Ook het feit dat je de mensen terugziet waarvoor je over kop bent gegaan. Je moet laten zien dat je het opnieuw kunt. Dat ze je niet moeten sparen. Dat is nu eenmaal de economische realiteit in een bedrijf.


Gezonder in mijn job

Ik ben ervan overtuigd dat ik sindsdien op een gezondere manier in mijn job sta. Als er op onze dienst mensen opgeleid moeten worden, vragen ze dat vaker aan mij. Ik denk dat dat komt omdat ik mijn eigen project even aan de kant kan schuiven. Als collega’s een probleem hebben, vraag ik: “Kan ik u helpen?” In de privé is dat niet vanzelfsprekend. Vaak zien ze tijd maken voor anderen als verloren tijd. De druk om de eigen cijfers te halen, is groot. Ik heb bij Joke, Jesse en Hafida gezien dat het ook anders kan. Als ik hun mensenkennis, hun skills, hun flexibiliteit zie … daar zouden ze in veel bedrijven grote ogen van trekken.


Dit E-mail adres wordt beschermd tegen spambots. U moet JavaScript geactiveerd hebben om het te kunnen zien. (SAM, steunpunt Mens en Samenleving) in opdracht van Samenlevingsopbouw